Connie belandde met het verhaal ‘Het pad’ op de longlist van de schrijfwedstrijd van Godijn Publishing met als thema ‘Grijze Klever’.

Thema: een grijze klever is iemand die nooit iets nieuws doet en bijvoorbeeld al veertig jaar bij dezelfde baas werkt. Geen avontuur. Neem de lezer mee en laat het verhaal tussen de regels lezen. Wie is de grijze klever in jouw verhaal? Opdracht: probeer de diepere laag in het verhaal te bereiken.

Het Pad

Ze was een scholekster. Haar lange benen die eindigden in felrode pumps vielen Johan als eerste op. De zwarte rok met daarop een kraak witte blouse en zwart jasje maakten het plaatje compleet. 

‘Dit is Johan. Hij is het langst bij de zaak van ons allemaal.’

‘Aangenaam.’ Hij stond op en schudde de vrouw haar hand. Haar nagels waren van hetzelfde rood als haar schoenen. 

‘Irene wordt vanaf maandag de nieuwe secretaresse van Leon. Ze komt vandaag alvast kennis maken.’

Irene trok haar hand zachtjes maar dwingend uit die van hem en glimlachte een klein glimlachje. 

‘Johan is een vogelaar. Als je iets wilt weten over vogels dan moet je bij hem zijn.’

‘Oh, wat leuk.’ Haar stem was zwoel, liet de lucht even natrillen zoals bij de zang van een nachtegaal. ‘Op de middelbare school had ik een vriendje die ging ook elk weekend vogels kijken. Ik ben wel met hem mee geweest in van die schuilhutten. Hij kende elke boomklever in de buurt en ik op een gegeven moment ook.’ Ze lachte. ‘Nu is dat bij de boomklever ook wel makkelijk want die zijn heel erg honkvast.’

Johan glimlachte terug, voelde een schokje door zijn ruggengraat gaan, eindigend tussen zijn schouders, waar het hem kippenvel bezorgde op zijn armen. Hij keek naar de lippenstift die had afgegeven op haar voortanden. Hij twijfelde, dacht aan Sonja, aan het eindfeest van de middelbare school. 

‘Hoe vind je mijn jurk?’ had ze gevraagd.

‘Die rode die je vorige week aanhad naar de film vond ik leuker,’ antwoordde hij.

Ze werd boos, net als aan het eind van de avond toen ze ontdekte dat er spinazie tussen haar hoektanden zat. 

‘Waarom heb je niets gezegd. Nu heb ik de hele avond voor paal gelopen.’ 

Hij keek naar de lippenstift op de tand van Irene. Hij twijfelde. Sonja had het die avond uitgemaakt. 

Irene en Mike liepen verder naar het volgende bureau waar eenzelfde ritueel plaatsvond. Hetzelfde uitwisselen van namen en schudden van handen.

‘Wat leuk dat je bij ons komt werken. Het is fijn dat er weer een vrouw bijkomt op de werkvloer. Ik wens je veel succes met je nieuwe baan.’ 

Johan keek naar haar platte billen in het strakke, zwarte rokje. 

De vrijdagmiddagborrel begon wat vroeger dan normaal om Irene welkom te heten en haar de gelegenheid te geven de collega’s wat beter te leren kennen. Johan haalde een biertje en ging bij het groepje staan aan de bar, Leon, Irene, Mike en Richard

‘Hebben jullie het gelezen in de krant. Die man die is gelokt met die Grindr app,’ zei Leon. ‘En daarna besprongen door tien mannen en mishandeld.’

‘Vreselijk,’ zei Mike. 

‘Ja, de nieuwe tijd. Die apps zijn wel leuk maar soms ook helemaal niet.’ Richard keek er moeilijk bij. 

‘Bepaalde apps hebben mijn leven anders een stuk aangenamer gemaakt.’ Het was alsof de lucht lichter werd als deze door haar stem in beweging werd gezet, alsof hijzelf lichter werd. Drie van de vier mannen keken haar verwachtingsvol aan maar Irene deed er verder het zwijgen toe.

‘Ik heb die app ook,’ zei Johan om de stilte te doorbreken. Alleen thuis en in de natuur verdroeg hij de stilte.

‘Welke app?’ Richard keek hem weer moeilijk aan.

‘Die app waar jullie het over hadden. Greinder.’

De mannen barstten allemaal in lachen uit behalve Johan.

‘Ik dacht dat jij al twintig jaar getrouwd was met Gerda?’

‘Misschien houdt hij er een dubbelleven op na,’ hinnikte Richard. 

‘Grindr is voor homo’s.’ Irene had zich naar hem toegebogen en fluisterde het in zijn oor. Ze keek hem vertederd aan zoals een moeder die haar kind terug ziet vallen naar de vloer nadat het de eerste stapjes heeft gezet. Hij voelde sensaties in zijn lichaam die hem vaag bekend voorkwamen uit zijn pubertijd. Hij twijfelde.

‘Johan heeft meer verstand van vogels, Irene. Hij kan ze heel mooi schilderen, heel gedetailleerd. Ik heb thuis ook zo’n kunstwerkje hangen.’ Leon knikte glimlachend naar hem. ‘Welke vogel ook alweer, Johan?’ Leon had het beste voor met zijn kroost. 

‘De fuut,’ antwoordde Johan.

Richard hikte nog na.

‘Dat is zo’n leuke vogel,’ zei Irene ‘De kleine fuutjes liften mee op de rug van mama en papa zorgt voor het eten.’

‘Ik hoop dan maar dat ik aan je verwachtingen van leuke vogel kan voldoen,’ lachte Leon. 

‘Alleen mij heeft hij nog niet geportretteerd.’ Richard trok een verongelijkt gezicht.

‘Jij bent niet te vangen in één vogel, Riche.’ Johan vond hem een meerkoet, altijd ruzie trappen, herrie maken. Op elke school had wel een meerkoet gezeten. 

‘Over schilderijen gesproken, hebben jullie gelezen dat er een nieuwe van Gogh is ontdekt?’ Vroeg Leon. ‘Ergens op de zolder van een overleden oud dametje.’ 

Johan keek naar Irene haar spitse neus. Ze was niet zo jong als haar voorgangster. Eind dertig schatte hij haar. Het leeftijdsverschil tussen hen was een jaar of tien. Hij zag haar al naast hem zitten, kijkend naar het bouwen van de nesten, het broeden, het grootbrengen van de jongen. Gerda was onvruchtbaar gebleken maar toen ze daarachter kwamen was het al te laat. Irene praatte mee met de mannen alsof ze nooit iets anders had gedaan dan tussen mannen werken. Haar stem trilde na in zijn lichaam, heel zachtjes, nauwelijks voelbaar, zoals de vibrator van Gerda als ze die naast hem in bed gebruikte in de veronderstelling dat hij sliep. 

‘Ik werkte eerst als kapster maar dat bleek niet mijn ding te zien. Te veel vrouwen, te veel geklets en de enige man in de salon was de ergste roddeltante.’ Irene lachte haar tanden bloot. ‘Ik heb op mijn dertigste het roer omgegooid en ben een opleiding gaan doen bij Schoevers.’

Een nieuwe weg inslaan, een andere baan, weg van de sleur, weg van de zaterdagochtend seks. Johan wilde het wel maar het was moeilijk om je gedrag te veranderen. Gerda had het hem haarfijn uitgelegd. Ze had het gelezen in een van die zelfhulpboeken die ze altijd las. 

‘De dingen die je elke dag of elke week doet zijn ingesleten routines. Je moet het zien als een helemaal uitgesleten pad in je hersenen, een route die je elke dag aflegt. Als je uit dat pad wilt komen moet je zorgen dat er een nieuw pad komt, maar dit pad is veel moeilijker, is overwoekerd met planten en andere obstakels. Je moet je een weg banen met een machete en de metershoge brandnetels prikken aan je armen.’ Soms praatte Irene tegen hem alsof hij een klein kind was. ‘Vaak lukt het wel om een paar keer dit pad te nemen, maar het is vermoeiend en soms beangstigend, dat andere pad is veel makkelijker. Daarom strandt bij jou elke poging om te gaan sporten.’ 

Hij had zijn mond geopend om iets te zeggen. 

‘Het is te moeilijk, het pad is nog onontgonnen. Om een nieuw pad uit te slijten moet je heel vaak eroverheen lopen, maar ondertussen lonkt die andere weg. Die gladde asfaltweg zonder zelfs een sprietje onkruid. En daarom worden we allemaal te dik.’ Ze had naar zijn riem gekeken die op het laatste gaatje zat. ‘En gaan we elk jaar naar dezelfde plek op vakantie.’ Gerda wilde al jaren een keer met het vliegtuig op vakantie. 

‘In mijn jeugd heb ik genoeg gereisd,’ was zijn standaard antwoord. 

Zijn vader was diplomaat geweest en elke drie, vier jaar verhuisden ze naar een andere plek, een ander land met een andere taal.

De uitleg van Gerda had de geur van een verwijt aan zich kleven maar ze had gelijk, het was moeilijk om te veranderen. Ze had de folders van Tui Fly op tafel gelegd en gezegd, ‘kijk er eens naar,’ maar het was er niet van gekomen. Ze had hem meegenomen voor de bezichtiging van een ander huis maar verhuizen was er niet van gekomen. Hij troostte zich met de gedachte dat hij, elke zaterdagmiddag als Gerda naar de yoga was, in zijn eentje het ingesleten pad verliet. Dan zette hij zijn koptelefoon op en danste op de hits van de Bee Gees – Night Fever – Stayin’ Alive. ‘Dans alsof er niemand kijkt’ zag hij laatst staan op de voorkant van een van Gerda’s boeken en dat was precies wat hij deed op die momenten. 

Met zijn biertje, de tweede was altijd een alcoholvrije, zittend aan een van de formicatafels bladerde hij door de krant. Hij deed alsof hij las. Zo goed als zijn focus altijd was op de zondagmorgen als hij erop uit trok om vogels te fotograferen zo’n chaos was het nu in zijn hoofd. Het kijken naar vogels maakte hem rustig, zoals vorige week toen hij twee merels had gespot die een nest aan het bouwen waren. Hij had een goede plek gezocht, was daar uren blijven zitten, stil, onzichtbaar, had het nest zien groeien. Het onvermoeibare heen en weer vliegen van de vogels en de continue herkansing op de perfecte foto gaven hem energie. Het kijken door de zoeker, de fractie van een seconde dat de spiegel van de camera opklapt en je als fotograaf niets ziet, het moment dat er nog de hoop is op perfectie. 

Hij keek naar Irene, sloot even zijn ogen en sloeg het beeld op. Perfect. Als hij haar alleen te spreken zou kunnen krijgen dan zou hij haar vertellen over het schilderen. Dat al zijn collega’s hem deden denken aan vogels, het uiterlijk, de karaktertrekken, dat hij de meeste van zijn collega’s al had geschilderd. Zijn baas was de eerste geweest, een fuut. Hij was slank en had een oranje gloed over zijn haren. De lok over zijn voorhoofd waar hij om de haverklap met zijn hand doorheen streek deed hem denken aan het onderhoud van het verenkleed en de manier waarop hij omging met vrouwen liet hem sterk denken aan het baltsen, het prachtige om elkaar heen bewegen van een paartje futen. 

Hij keek naar Leon die Irene probeerde te verleiden tot een dansje. De woorden van zijn moeder schetterden door zijn hoofd: ‘Ja, nu alleen nog een beetje maat houden’. Zij had gelachen, hij had gelachen. Hij had door gedanst tot het einde van het nummer maar daarna nooit meer met publiek. De stem van zijn moeder was sinds haar overlijden twee jaar geleden minder vaak in zijn hoofd, maar soms popte ze onverwacht op als een aalscholver uit het water.

Irene lachte en deed een paar aarzelende danspassen. Haar lach trilde zijn kant op. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes, zag al voor zich hoe hij de scholekster ging schilderen. 

Irene liep richting de toiletten. Dit was zijn kans zijn om haar alleen te spreken. Als ze terugkwam zou hij naar haar toelopen en zeggen, Irene, heb je zin om met zijn tweeën nog wat te gaan drinken dan vertel ik je alles over de scholekster. Hij oefende de zin in zijn hoofd maar het was nog steeds onrustig daarboven. Het feit dat hij zo op haar af zou lopen en haar aan zou spreken zorgde ervoor dat hij kramp in zijn buik kreeg, dezelfde soort die hij kreeg als hij naar de tandarts moest. Gerda maakte altijd de afspraak. Ze vertelde het hem pas op de dag zelf. Gerda was een uil. Ze was slim, keek dwars door hem heen. Hij mocht zijn handjes dichtknijpen met zo’n vrouw.

Met zijn ogen gericht op het gangetje waar de toiletten zich bevonden probeerde hij zich te concentreren. Focus, nu, focus.

‘Bitterballetje?’ De plotselinge stem van de kantinejuffrouw haalde hem uit zijn dagdroom.

Hij voelde zijn riem knellen, hoorde Gerda, ‘als je zo doorgaat moet ik binnenkort nieuwe broeken voor je kopen’. Hij was niet dik. Driekwart van de mannen op de afdeling waren dikker dan hij. 

‘Ja, lekker. Dank je wel.’ Hij pakte een bal en blies. Op dat moment zag hij Irene uit de toiletten terug komen lopen. Het was nu of nooit. Met grote stappen liep hij op haar af. In zijn hand de bitterbal, in zijn hoofd de tekst die hij had geoefend.

‘Irene. Wij gaan zo nog even naar de Bibop, een gezellige tent hier om de hoek. Ga je nog even mee?’

Johan had Leon niet aan zien komen. Hij keek beurtelings van Irene naar Leon en weer terug. Ze keek naar de bitterbal in zijn hand, met haar hakken was ze net iets groter dan hij, en draaide haar hoofd naar Leon.

‘Gezellig, Leon. Ik ga mee.’ Op haar tand zat nog steeds de lippenstift. Had ze niet in de spiegel gekeken?

Leon liep weer terug richting de bar en Irene volgde. Na twee stappen draaide ze zich om en zei, ‘Tot maandag. Dan wil ik wel wat meer horen over die vogels van je.’

‘Er zit lippenstift op je tanden,’ zei hij toen ze al bijna bij de bar was. 

In de auto naar het winkelcentrum dacht hij aan haar. Het was maar goed dat ze niet vroeg of hij meeging naar Bibop. Het was daar altijd zo lawaaiig. Een goed gesprek kon je daar niet voeren. Een keer was hij meegegaan met de collega’s, jaren geleden. Ze hadden hem gepest omdat hij niet de dansvloer opging. 

‘Kom op, Jopie. Laat je eens gaan.’ 

Hij wist dat ze hem uitlachten achter zijn rug en zij wisten dat hij dat wist. 

De visman was al aan het opruimen maar er was gelukkig nog genoeg kibbeling in de bak. Hij betaalde met de tien euro die Gerda hem vanmorgen had gegeven. Het was goed zo. Soms is het momentum gewoon voorbij. Net als het momentum om kinderen te krijgen. Het was goed zo. 

Terwijl hij het winkelcentrum uitliep keek hij in de rondte. De dakloze vrouw met haar gitaar zat er niet. Ze was er altijd op vrijdag. Wat vreemd. Nog even keek hij om zich heen en liep toen langzaam naar zijn auto. Zou het haar gelukt zijn? Ze droomde van een doorbraak, een platencontract. De hele wereld over op tournee.

Altijd op vrijdag kocht hij een grote bak kibbeling en twee bakjes saus. Meestal kwam het rond de negen euro uit. Elke week gaf hij het wisselgeld aan haar, aan de zangeres met de gitaar. Dan praatte ze wat, over het weer, en dan stapte hij weer in zijn auto. Wat vind je van mijn muziek had ze op een dag aan hem gevraagd. Hij vond het geen mooie muziek. Haar stem kraste in zijn hoofd. Hij wist niet of het vals was. Gerda zei van wel, ze zei dat iemand haar eens moest vertellen dat ze niet kon zingen, dat ze vals zong. 

‘Best mooie muziek,’ had hij gemompeld. ‘Het weer is ook best mooi vandaag.’ 

Misschien was het haar gelukt. Had ze haar vleugels uitgeslagen en was ze de wijde wereld in. Hij hoopte het voor haar, gunde het haar van harte. Hij legde de warme zak met vis op de passagiersstoel en staarde even naar de euro in zijn hand, staarde naar wat had kunnen zijn en stapte toen in.

‘Wacht, wacht.’

Johan keek opzij en zag de zangeres aan komen rennen, de gitaar over haar rug slingerde heen en weer.

‘Ik vroeg me al af waar je was.’

‘Ik was effe pissen,’ hijgde ze. ‘Je bent later dan normaal.’

‘Ja, er was een nieuwe op kantoor, dus ik ben iets langer gebleven bij de borrel. Hier.’ Hij duwde het geld in haar hand. 

‘Dank je,’ zei ze. 

‘Ze laten je toch niet betalen voor het toilet, hoop ik. Dan is dat geld heel snel op.’

‘Nee,’ zei ze, ‘ik ga altijd in de bosjes naast de laad en losplaats van de Appie.’ Ze grijnsde. 

Haar witte tanden contrasteerden bij haar zwart gestifte lippen en de lange zwarte haren hingen altijd half voor haar gezicht als ze tijdens het gitaarspelen naar haar vingers keek. Ze was een kraai. 

‘Ok, ik moet gaan anders wordt Gerda boos. 

Ze nam een stapje achteruit om hem ruimte te geven om weg te rijden. 

‘Ah, daar ben je. Je bent later dan normaal.’ Gerda legde het mes naast het bord aan haar kant van de tafel recht en pakte de zak met kibbeling aan.

Wil je melk bij je eten?’ Ze opende de zak waaruit de stoom omhoogtrok, legde iets meer dan de helft op zijn bord, zette een geopend bakje saus ernaast en vulde zijn glas met melk.

‘Ik ga morgen een scholekster schilderen,’ zei hij.

‘Mooi, schat. Kom je zitten, anders wordt de vis koud. 

Connie Mitchell

Schrijver, Connie Mitchell Productions