Connie belandde met het verhaal ‘Het pad’ op de longlist van de schrijfwedstrijd van Godijn Publishing met als thema ‘Grijze Klever’.

Thema: een grijze klever is iemand die nooit iets nieuws doet en bijvoorbeeld al veertig jaar bij dezelfde baas werkt. Geen avontuur. Neem de lezer mee en laat het verhaal tussen de regels lezen. Wie is de grijze klever in jouw verhaal? Opdracht: probeer de diepere laag in het verhaal te bereiken.

De uitslag van deze schrijfwedstrijd wordt bekend gemaakt bij het Boek10 event op 29 september 2018. Tot die tijd kan je hier de andere inzending lezen die Connie instuurde maar die niet op de longlist terechtkwam.

Mijn kleine prins

 

Wat zou jij doen? Je hebt toch ook weleens behoefte aan aandacht, aan liefde, aan een arm om je heen? Als je dan een niet zo interessant leven hebt, je geen extraverte bruisende persoon bent, zo een die de hoofdrol in een boek of film speelt, als je niet gezegend bent met een uitzonderlijke schoonheid, geen verre reizen maakt waarover je kunt verhalen, dan zoek je je heil in iets anders.

 

Het was zondagmiddag. De kerk was al meer dan een uur uit en de sirene van de ambulance had de buren naar buiten gelokt. Buurvrouw Jo sloeg haar arm om Carla heen.

‘Ach, meisje toch.’ Jo was haar altijd meisje blijven noemen. ‘Is het weer zover?’ Ze wreef over Carla’s arm en drukte haar stevig tegen zich aan. Carla voelde de warmte van de buurvrouw door haar kleding heen. Ze glimlachte. De brancard met daarop Carla’s zoon werd de ambulance ingeschoven, op zijn gezicht een kapje voor extra zuurstof.

‘Dit is toch geen leven voor die jongen.’

Carla zuchtte. ‘Nee.’

‘Om over jouw leven nog maar te zwijgen.’

Carla knikte, stapte in de ambulance en stak haar hand op naar Jo. Normaal mochten familieleden niet mee in de ziekenauto maar Carla was als familie voor de broeders van het streekziekenhuis. Ze legde haar hand op Jeroens voorhoofd en zei: ‘Het komt goed, kleine prins van me.’ De sirene ging weer aan en weg reden ze.

 

‘Ditmaal joeg ik hem een kogel door de kop, hij viel en wat denkt u, mijne heren, dat ik toen zag? Het dier bleek vier poten aan zijn buik te hebben en nog eens vier op zijn rug! Als hij aan de ene kant vermoeid was draaide hij zich eenvoudig om en draafde zo fris als een hoentje weer verder! Voorwaar, de schepping is vol mirakelen…’

Carla keek op.

‘Hij houdt ervan als ik voorlees,’ zei ze.

De nieuwe huisarts die sinds kort in de praktijk van de oude dokter Theo was komen werken bleef even staan in de deuropening.

‘Theo is met vakantie zoals u weet, dus daarom kom ik even kijken hoe het gaat,’ zei hij.

‘Dat is aardig van u.’ Ze vond de nieuwe arts afstandelijk. Meteen al toen ze hem voor het eerst ontmoette in de praktijk.

‘Zijn bloeddruk is weer stabiel hoorde ik van de verpleging.’

Carla knikte en stond op. ‘Het gaat weer beter met Jeroen.’ Ze legde het boek ondersteboven open op het roltafeltje naast het ziekenhuisbed en keek liefdevol naar haar zoon. Hij had zijn ogen open, gericht op het plafond.

‘Het lijkt alsof hij er niet bij is maar dat is hij wel. Ik zie wat andere mensen niet zien. Dat krijg je als je al zoveel jaar vierentwintig uur per dag voor iemand zorgt.’ Met haar hand streelde ze over Jeroens gezicht terwijl ze de arts een waterig glimlachje schonk. Hij was aantrekkelijk.

‘U werkt op dinsdagmiddag, toch?’

‘Ja, dat klopt. Ik werk een beetje voor spek en bonen hoor. Vroeger was ik fulltime verpleegster, zo heette dat toen nog, in het ziekenhuis, maar toen ik ziek werd en later Jeroen ook toen ben ik gestopt.’ Weer keek ze naar haar zoon en streelde door zijn haar. Een verpleegkundige kwam binnen.

‘Alstublieft, dokter,’ zei ze.

‘Dank je wel,’ zijn blik gericht op het naambordje op haar borst, ‘Anne.’ Hij pakte het vuistdikke dossier aan en glimlachte naar het jonge meisje. Ze bloosde een beetje en glimlachte terug. Dat Carla ook haar bloed tegen de zwaartekracht in voelde stromen zag de nieuwe dokter niet want hij bladerde aandachtig door de pagina’s. Carla kon het dossier van haar zoon wel dromen: Oorontsteking, maag-darmklachten, visusproblemen, zwelling in oogleden, verlies van zicht, braken, start sondevoeding, huiduitslag, blaren, oorsuizen, slaperig voelen, lage bloeddruk, flauwvallen, beroerte, aanleggen stoma, regelmatig hartritmestoornissen waarvoor nog geen oorzaak is gevonden. De nieuwe arts zijn spijkerbroek zat strakgespannen rond zijn geslacht. Carla voelde zich warm worden.

 

Het was dinsdagmiddag net na het lunchuur. Carla was aan het werk, evenals de nieuwe huisarts. Ze had een slecht gevoel bij hem. Tussen de middag at hij, na zijn boterhammen, vaak Dubbelvla. Hij mengde de twee kleuren, die geordend het pak uitkwamen, door elkaar tot een onbestemde lichtbruine brij. Ze dacht aan de orde en netheid bij de nonnen, aan hun motto: rust, reinheid en regelmaat.

Zijn stem was een beetje hees aan het begin van elke zin, alsof zijn stembanden even op gang moesten komen. Elke keer als hij de wachtkamer inliep en de naam van een patiënt noemde voelde ze het geluid resoneren door haar ruggengraat eindigend in haar bekken waar het even bleef hangen. Thomas heette hij. Hij ging niet naar de kerk, net zoals zij, maar zij had een goede reden om niet te gaan. Thomas, het verhaal van de ongelovige uit Johannes 20:24-29, degene die zei ‘eerst zien, dan geloven’. Thomas kon haar leven opschudden, tot chaos maken. Het zou nooit meer vanillevla en chocoladevla worden.

 

Het was donderdag en Jeroen was net thuisgebracht met de ambulance.

‘Mijn kleine prins is weer thuis. Daar ben ik blij om.’ Carla gaf hem een kus op zijn wang. ‘Straks ga ik je laten fietsen, de beentjes in beweging zetten en daarna lees ik je een verhaaltje voor.’

 

Het was vrijdagochtend. De nieuwe kwam kijken bij Jeroen. Dokter Theo was nog steeds op vakantie. Hij scheen met een lichtje in Jeroens ogen en haalde de grote pleister van de doorligplek ietsje los. Door de gebukte houding kwamen zijn billen goed uit in zijn strakke spijkerbroek.

‘Netjes verzorgd,’ zei hij tegen Carla. ‘Krijgt hij ook bewegingstherapie?’

‘Ik ben verpleegkundige geweest dus ik weet wel hoe ik decubitus moet verzorgen. En ik geef hem zelf elke maandagochtend en donderdagmiddag bewegingstherapie.’

‘Dat is een hoop werk. Er zijn tehuizen waar mensen zoals Jeroen goed verzorgd kunnen worden. Dat weet u, neem ik aan.’ Hij keek haar aan met zijn grote, bruine ogen. Hij deed haar denken aan een labrador.

‘Oh nee, ik moet er niet aan denken om Jeroen niet thuis te hebben. De verantwoordelijkheid af te geven.’

‘Het hoeft niet voor zeven dagen per week. Het kan ook een of twee dagen. Zodat u wat meer armslag krijgt. Niet zo gekluisterd bent aan huis.’ Hij keek haar aan.

‘Ik werk elke dinsdagmiddag in de praktijk, dat weet u.’

Hij pakte het op zijn kop neergelegde opengeslagen boek van het nachtkastje en keek naar de titel: De wonderlijke avonturen van de Baron von Münchhausen.

‘Jeroen houdt zo van de verhalen van de baron. Zijn gezicht klaart er altijd van op.’

Thomas keek naar haar zoon in het bed. Carla zag dat hij een glimp van emotie probeerde te ontdekken in het stille gezicht en de op het plafond gerichte ogen.

 

Het was zondagochtend, iedereen was naar de kerk. In de keuken maalde ze Jeroens medicatie fijn en mengde het door wat yoghurt. Soms reageerde zijn lichaam niet goed op de pillen en moest de ambulance komen. Nadat ze zijn doorligplek had verzorgd en zijn lichaam had gewassen pakte ze de Zwitsal babyolie en begon zijn lichaam in te smeren en te masseren.

‘Dit vindt mijn kleine prins lekker, hè.’ Ze voelde Jeroen ontspannen onder haar handen.

 

Het was dinsdagmiddag, Carla was aan het werk en buurvrouw Jo paste op Jeroen. Als het niet goed ging met Jeroen dan belde Jo naar de praktijk maar in al die jaren had ze dit nog nooit hoeven doen. Tien jaar geleden bood dokter Theo haar het baantje aan.

‘Je moet ook af en toe onder de mensen komen,’ had hij gezegd.

Ze had getwijfeld, had ze nog wel genoeg kennis van het vak, kon ze Jeroen wel alleen laten? Theo zag haar twijfels in haar ogen, hij kende haar als geen ander, en stelde haar gerust: ‘Je werkt als extra. De assistente is er ook gewoon. Zij weet alles en draagt de eindverantwoording.’

Zijn opmerking dat ze het vrijblijvend kon proberen en elk moment, zonder opgaaf van reden, kon stoppen trok haar over de streep. Ze genoot van haar werk. Vaak kwamen mensen na hun afspraak met de arts nog even naar haar toe. ‘Zo knap, wat jij doet. Hoe jij je leven opoffert.’ In het dorp kende iedereen haar levensverhaal al had ze het zelf nooit aan iemand verteld. ‘We voelen met je mee, lieverd.’ Sommigen boden ook hun hulp aan maar die wilde Carla niet.

 

Het was zondagochtend, iedereen zat in de kerk.

‘Medicijn, check. De decubitus verzorgd, schone pleister, check. Van top tot teen gewassen, check. Dan ga ik je verwennen.’ Ze pakte de babyolie en met haar gezicht boven de fles ademde ze diep in door haar neus. ‘Heerlijk.’ Het deed haar denken aan haar moeder, die gebruikte ook altijd Zwitsal. De nonnen in het tehuis gebruikten geurloze zeep. Daar had ze zich na die ene dag nooit meer schoon gevoeld. Ze spoot een streepje op zijn borst en masseerde de olie met draaiende bewegingen in. Extra aandacht gaf ze aan zijn handen, het waren mooie handen, zijn benen werkte ze van onder naar boven af.

‘Lekker, hè, kleine prins van me. Mama zorgt voor je.’ Ze dacht aan de nonnen in het tehuis. ‘Je bent mijn alles, mijn leven, dat weet je toch?’

 

Het was dinsdagmiddag en de lunchpauze op de praktijk was bijna voorbij. Carla at altijd een boterham mee met de assistente en de twee huisartsen. Ze keek naar zijn handen, hoe ze boter smeerden op het brood, het plakje kaas tussen zijn duim en wijsvinger, het doorsnijden van de boterham. Hij had mooie handen, die nieuwe, net zo mooi als die van Jeroen.

‘Kan ik je zo even onder vier ogen spreken?, vroeg hij.

‘Natuurlijk. Meteen maar even voordat de middagklanten komen,’ antwoordde dokter Theo.

Toen even later de twee artsen de spreekkamer inliepen stond Carla op en pakte de lege bordjes van tafel. ‘Blijf maar lekker zitten. Ik ruim wel af,’ zei ze tegen de assistente. In het keukentje dat grensde aan de spreekkamer bleef ze staan. De stemmen waren vaag hoorbaar door de tussendeur. Ze stapte iets dichterbij en legde met de bordjes nog in haar hand haar oor tegen de deur.

‘Vind je het niet gek dat er bij die jongen nooit iets is gevonden, geen oorzaak van zijn ziek zijn, geen enkele diagnose?’

‘Bij vijftig procent van de mensen in onze praktijk kunnen we geen duidelijke diagnose stellen, Thomas.’

‘Nee, maar dan gaat het over mensen met vage klachten. Deze jongen heeft een hoeveelheid duidelijke klachten gehad de afgelopen jaren maar zonder een echte oorzaak. Bovendien geneest de helft van al die andere niet-gediagnosticeerden gewoon spontaan.’

‘En de andere vijftig procent dus niet. Wat wil je nu eigenlijk zeggen?’

Carla hield haar adem in.

‘Heb je weleens een patiënt gehad met Münchhausen by proxy?’

‘Oh, alsjeblieft, Thomas. Wat heeft deze vrouw er nu bij te winnen om haar kind ziek te maken. Ze heeft moeten stoppen met werken, ze zorgt twentyfour-seven voor haar zoon, ze kan niet op vakantie. Wat voor leven is dat?

‘Ik heb het dossier van de jongen ingekeken en tachtig procent van de keren dat hij met spoed naar het ziekenhuis moest was op zondag.

Dokter Theo zuchtte.

‘En onder het bed van haar zoon vond ik een bijsluiter van Viagra.’

‘Sinds wanneer zoeken wij als huisarts onder mensen hun bed, Sherlock?’ Er klonk irritatie in Theo’s stem. Zijn geduld was bijna op, wist ze. Ze hoorde papier knisperen.

‘Bijwerkingen Viagra: Maag-darmklachten, Visusproblemen, zwelling in oogleden, het gezicht, lippen of de keel, braken, huiduitslag, blaren, oorsuizen, slaperig voelen, lage bloeddruk, flauwvallen, beroerte. Het is bijna een kopie van die jongen zijn dossier.’

‘Thomas, luister. Ik ga je iets vertellen over Carla en luister goed. Op haar achtste overleed haar moeder, een vader heeft ze nooit gehad. Ze kwam terecht in een kindertehuis. Ondanks deze tegenslag werd ze een briljant verpleegkundige, voor alle examens slaagde ze met achten of hoger. Ze werkte fulltime in het ziekenhuis, een harde werker en een prettige collega. Op haar twintigste is ze van haar fiets getrokken, geblinddoekt en verkracht. De dader is nooit gevonden maar ze was wel zwanger. Bij de bevalling waren nogal wat complicaties en Carla moest een paar weken in het ziekenhuis blijven. Ze kreeg veel aandacht en hulp en uiteindelijk ging ze als alleenstaande moeder naar huis met Jeroen. In de maanden na de bevalling bleef ze last houden van ontstekingen aan de baarmoederhals. Ze had veel pijn en antibiotica leek niet of maar tijdelijk te helpen. Na een jaar was het eindelijk onder controle en toen werd kleine Jeroen ziek.’

Theo zweeg. Carla durfde niet adem te halen.

‘Wat ik je wil zeggen is dat deze vrouw een heel zwaar leven heeft gehad en nog steeds heeft. Zwaarder dan jij en ik ons kunnen voorstellen. Ze zorgt al dertig jaar voor haar zieke zoon, dat is net zolang als jouw leven. Laat het met rust.’ De oude dokter zuchtte. ‘Er zitten geen lijken in de kast, Thomas.’

 

Het was vrijdagochtend en de nieuwe was net langs geweest bij Jeroen. Hij had hetzelfde gedaan als vorige keer. Waarom kwam dokter Theo niet zelf? Die praatte tenminste met haar in plaats van tegen haar. Carla keek uit het raam van Jeroens kamer. Ze zag Thomas zijn dokterstas op zijn fiets zetten. De buurvrouw van het huis links van haar kwam aanlopen en sprak hem aan. Carla zette het raam wat verder open maar verstond niet wat er werd gezegd. De buurvrouw glimlachte. Ze was knap en net gescheiden. Weken was ze het onderwerp van gesprek geweest in het dorp. Nu stond ze te flirten met de nieuwe. Thomas lachte uitbundig na een opmerking van haar kant. Hij legde even zijn hand op haar schouder, heel even maar, heel vluchtig, net zo vluchtig als de opwinding die ze door haar schaamstreek voelde trekken. Ze wist dat ze het nooit zou durven. Alleen al de gedachte dat Thomas haar naakte lichaam zou zien, haar zou voelen trillen onder zijn handen, haar zou horen kreunen. Bij de gedachte alleen al steeg het schaamrood naar haar kaken. Thomas zette zijn voet op de trapper en zwaaide zijn andere been over het zadel. Terwijl hij begon te trappen keek hij nog even naar boven. Ze was te laat met naar achter stappen.

 

Het was zondagochtend, iedereen was naar de kerk, toch deed ze de gordijnen van Jeroens kamer dicht. In de keuken maalde ze de pilletjes zo fijn mogelijk in de vijzel. De blauwe pillen bestelde ze via internet, meenemen uit de praktijk van dokter Theo was te gevaarlijk, maar die van internet hadden niet altijd de sterkte die op het doosje stond. Soms waren ze te sterk voor het hart van Jeroen. Toen er niet meer over was dan een fijn poeder schepte ze het door een beetje yoghurt en vulde hiermee een wegwerpspuit. Terug in de slaapkamer spoot ze de yoghurt in het slangetje dat via zijn neus naar zijn maag liep. Hij kreeg al heel lang zijn voeding via een sonde.

‘Zo, dan ga ik je verwennen, kleine prins van me.’

Langzaam kleedde ze de jongen uit. Het teiltje met lauw water zette ze naast het bed. Ze kneep het washandje uit en ging voorzichtig over Jeroens gezicht en hals. Zijn ogen keken naar het plafond, zoals altijd. Volgens de dokter was hij zijn zicht volledig kwijt. Het washandje steeds opnieuw dopend in het water werkte ze zich een weg naar beneden. De omgekeerde weg volgde ze met de barrièrecrème die meer doorligplekken moest voorkomen. Vooral zijn hielen, ellenbogen en achterhoofd smeerde ze in. Ze draaide hem op zijn linkerzij en haalde het schuimverband van zijn heiligbeen. De decubitus op zijn sacrum gaf nog steeds vocht af. Ze zou de doorligplek schoonmaken en er een nieuw verband op doen. Als laatste pakte ze de knijpfles met Zwitsal babyolie, wipte de dop open en hield haar neus erboven. De geur maakte haar rustig. ‘Mijn kleine prins houdt ook van Zwitsal, hè. Als kind hield je er al van.’ Ze spoot een streepje op zijn borst en masseerde het met draaiende bewegingen in. Zijn armen pakte ze met twee handen vast en masseerde ze. Daarna verplaatste ze haar aandacht naar zijn voeten en werkte langzaam omhoog, via zijn knieën belandde ze bij zijn dijbenen. Ze keek naar zijn geslacht en spoot ook hierop babyolie en masseerde het in. Na haar handen te hebben afgespoeld in het teiltje met water haalde ze uit het laatje van het nachtkastje de blinddoek, legde hem over Jeroens ogen en bond hem aan de achterkant van zijn hoofd vast. Pas daarna kleedde ze zichzelf uit.

 

Het was vrijdagavond. Dokter Theo had weer die nieuwe gestuurd vanmiddag. Carla zat aan haar eettafel, dacht aan de bruine ogen van Thomas. Ze at vis, net als elke vrijdag.

 

Het was zondagavond. De sirene van de ambulance had de buren naar buiten gelokt. De ziekenbroeders bleven lang binnen.

‘Geen goed teken,’ zei een buurvrouw.

‘Hij moet eerst stabiel zijn voordat ze hem kunnen vervoeren,’ zei een man op de fiets. Hij hoorde niet thuis in deze straat. Een politiewagen stopte achter de ambulance en twee agenten stapten uit. Op dat moment kwamen de broeders naar buiten met een lege brancard en schudden met hun hoofd naar de agenten, die onmiddellijk tot actie overgingen.

‘Ok, mensen, het optreden is voorbij,’ zei de ene agent op gebiedende toon. ‘Ga maar lekker allemaal naar huis en prijs je gelukkig met wat je hebt. Het kan zomaar voorbij zijn.’

‘Wat vreselijk, zo’n jonge man. In de dertig was hij toch?’

 

Wat zou jij doen als je kind werd bedreigd? Als iemand de relatie die jij hebt met je kind probeert te ondermijnen, vernietigen. Zou je dan niet ook vechten als een leeuw? Hem beschermen tegen de boze buitenwereld. Wat zou jij doen?

 

 

Connie Mitchell

Schrijver, Connie Mitchell Productions