Doodzonde

Dit project staat even op pauze omdat Connie druk bezig is met het voltooien van ‘Thirsa en het spookvliegtuig’. 

Na het voltooien van de opleiding aan de Schrijversacademie begon ik aan het verhaal dat al sinds 2014 in mijn hoofd zit. Een krantenartikel over mishandeling en misbruik in jongenstehuizen in Australië dat ik in 2014 las bracht twee gedachtes bij me teweeg. In de eerste plaats dacht ik wat ieder weldenkend mens bij zo’n artikel denkt: ‘Vreselijk wat daar gebeurd is’ en ‘Hoe kan je kinderen zoiets aandoen’. Mijn tweede gedachte was er een die me overviel: ‘Hier zit een verhaal in’. En dat verhaal kreeg al snel een echte gedaante in mijn hoofd. Daarna liet het me niet meer los. 

Nu, 30.000 woorden later en op iets meer dan een derde van het verhaal, ben ik een eind op weg. Voltooiing zal echter nog enige tijd op zich laten wachten, omdat ik op dit moment druk bezig ben met het vervolmaken van het Kinderboek Thirsa en het spookvliegtuig.

Proloog

Hij was oud geworden en ik begon te twijfelen aan mijn voornemen. Vanuit mijn huurauto had ik goed zicht op het huis en de man. Zijn grijze, bijna witte, wenkbrauwen hingen over zijn ogen alsof de zwaartekracht er harder aan had getrokken dan aan de rest van zijn gezicht. Nog wel duidelijk zichtbaar was het felle blauw van zijn ogen. Het sluike, zilvergrijze haar lag vormloos over zijn hoofd en bedekte zijn grote oren voor de helft. Zijn linkeroorlel miste een stuk. De onderkant ervan was rafelig en er groeide een stukje wildvlees uit in de vorm van een minipaddenstoel. De druppel aan zijn neus hinderde hem blijkbaar niet, net zomin als de pluk haar die steeds voor zijn ogen viel. In niets leek hij meer op de man van vroeger. Met licht gebogen schouders haalde hij de uitgebloeide bloemen uit de struik naast zijn voordeur. Ook zijn benen stonden wat krom, leken door te hangen, alsof ze zijn gewicht niet meer konden dragen. Leunend op een bruine wandelstok met bovenop een zwart T-stuk als handvat nam hij kleine stapjes langs de bloemen.

Hij was oud geworden. Had het nog wel zin? Als ik naar hem keek, zou ik bijna medelijden met hem krijgen. Hij woonde alleen. Geen vrouw, geen kinderen. Hierachter komen was niet moeilijk geweest. Ik had nog steeds zo mijn connecties hier in Melbourne. Ik hield van deze stad. Mijn mooiste herinneringen lagen er, maar ook mijn vreselijkste.

Hij was oud geworden. Waarom zou ik het nog doen? Was wraak een legitieme reden? Vergelding? Ik probeerde mijn hersenen tot rust te manen, mijn gedachten te temmen, maar ze bleven heen en weer schieten. Wat maakte dit van mij? Was ik zelf niet net zo erg als hij? Wat moest ik denken, wat moest ik doen? Op een andere plek kon ik tot rust komen en mijn overwegingen rustig beschouwen. Op het moment dat ik de motor wilde starten en weg wilde gaan kwam er echter een grijze Toyota de straat inrijden. Hij stopte aan de andere kant van de weg en toeterde.

‘Goedemiddag, buurvrouw.’ Een schrapend geluid kwam uit zijn keel. Langzaam tilde hij zijn linkerhand, met daarin de geplukte bloemen, op in een poging tot zwaaien.

Een vrouw stapte uit de Toyota en sleepte een kind achter zich aan. Een jongetje met een lichtbruine huid en de trekken van het Aboriginal-volk. Acht jaar, schatte ik hem, met zwarte krullen en een wat te dik lichaam. Hij struikelde bijna over het opstapje dat de voortuin scheidde van de stoep.

‘Zou u even op Jesse willen passen?’

Ik draaide mijn raampje wat verder open.

‘Ik moet naar een sollicitatie en ben al laat. Hij zou eigenlijk naar mijn moeder gaan maar zij belde dat ze ziek is en hem er niet bij kan hebben. Nu loopt alles in het honderd. Het is maar voor een uurtje. Hooguit anderhalf. Hij kan misschien bij u televisiekijken? Net als vorige keer.’

De geplukte bloemen liet hij vallen in de groenbak. Hij schuifelde dichterbij en haalde zijn neus op waardoor de druppel even naar binnen verdween.

‘Ik wil met jou mee, mama.’ Het jongetje bleef mokkend staan.

‘Dat kan even niet, Jesse. Dat weet je. Je blijft gewoon even bij buurman Frank. Voor je het weet ben ik weer terug.’ Ze trok aan zijn arm maar Jesse werkte niet mee. Ze ging door haar knieën tot ze op zijn ooghoogte was. ‘Kom Jesse, ik heb haast. Vorige keer vond je het toch ook leuk bij de buurman?’

Jesse haalde zijn schouders op en met gebogen hoofd slenterde hij achter zijn moeder aan tot ze naast de buurman stonden. De oude man legde zijn hand op Jesses schouder en trok de jongen iets dichterbij. Ondanks het feit dat het 35 graden was en de vochtigheid het ondraaglijk warm maakte, gleed er een rilling over mijn ruggengraat.

‘In de slaapkamer kan je televisiekijken.’ De oude man glimlachte. ‘Dan kijken we samen. Goed?’

Jesse knikte, maar bleef naar de grond staren alsof hij de grassprieten aan het tellen was.

Als bevroren staarde ik naar mijn stuur en terwijl mijn lichaam stil bleef woedde in mijn hoofd een storm. Volgens mijn psycholoog waren vechten, vluchten of bevriezen de basisreacties van de mens in stresssituaties. Beelden uit het verleden drongen zich op en vulden mijn ogen. Het kleine appartement op de eerste verdieping. Hop, paardje, hop. Een steigerende vader, rollebollend over de vloer. ‘Nee, niet de kieteldood.’ Een schaterlach. De herinneringen ontsnapten en trokken een warm spoor over mijn wang.

‘Tot straks, Jesse. Lief zijn, hè en doen wat buurman Frank zegt.’

Iets in mij brak. Ik stapte uit de auto en liep op de oude man af. Mijn resolute pas zorgde ervoor dat de buurvrouw en Jesse een stap opzij deden. Een meter voor de man hield ik stil.

‘Bent u Francis Leonard Abraham Burns?’ vroeg ik. Ik keek hem recht in zijn glasharde ogen.

‘Ja, dat ben ik.’

Connie Mitchell

Schrijver, Connie Mitchell Productions